Grab it, tag it, sell it: hoe de suikerindustrie Zambiaanse boeren hun eigen grondstoffen verkoopt

Grab it, tag it, sell it: hoe de suikerindustrie Zambiaanse boeren hun eigen grondstoffen verkoopt

De wereldsuikerprijs heeft een record bereikt, maar de dorpelingen rond de grootste suikerplantage van Afrika weten van niets. Omdat de meeste bewoners niet genoeg verdienen om hun eigen land te exploiteren, kan AB Foods haar areaal er goedkoop uitbreiden. Ondertussen verdwijnen de bomen, de vissen en de oevers. Achtergrondreportage uit Mazabuka, de “zoetste stad” van Zambia.

Ik luier op een ligstoel op Schiphol, kijk over de neuzen van mijn nieuwe schoenen naar het vliegtuig waarmee ik straks eindelijk weer naar Zambia kan. Het vliegtuig vliegt nog altijd op fossiele kerosine, maar de zolen van mijn nieuwe schoenen zijn in ieder geval gemaakt van suikerriet. Nu zijn ze nog best uitzonderlijk, maar in 2030 worden alle producten van dit populaire merk gemaakt van ‘gerecyclede, regeneratieve, biologische of verantwoord verkregen hernieuwbare materialen’, belooft de fabrikant op haar site. Daarmee zou ze dan 20 jaar voorliggen op de Europese Unie, die in 2050 een volledig circulaire, biobased economie wil hebben.  

Dichtbevolkt

Praktisch probleem: Europa is een klein dichtbevolkt werelddeel, dat zelf nooit genoeg biomassa zal kunnen verbouwen om aan de huidige eisen van haar producenten en consumenten te kunnen voldoen. Haar industrie is niet opgezet om de lokale markt te voorzien, maar om de hele wereld te bevoorraden. 

Hoewel biomassa studies benadrukken dat de gewassen voor al die fabrieken bij voorkeur uit het eigen territorium moeten komen, blijkt uit handelsmissies en landbouwperspectieven allang dat de EU als vanouds rekent op de steun van haar zonnige zuiderburen in Afrika, waaronder veel voormalige koloniën. Dat geldt ook voor Zambia, eerder bekend als “Noord-Rhodesië”, dat tussen 1895 en 1964 beschouwd werd als ‘eigendom’ van Britten. In de 18e eeuw leverde het vooral slaven, daarna ook koper. Inmiddels exporteert het daarnaast zaken als mais, tabak en suiker.

Medio mei verscheen EU landbouwcommissaris Janusz Wojciechowski op het eerste EU-Zambiaanse Economische Forum om de Zambianen over te halen hun landbouwproductie te verhogen en daarmee een wereldwijde voedselzekerheidscrisis te helpen afwenden. Door duurzame groene groei te genereren en banen te scheppen, stelde de EU-gezant, kan de agrovoedingssector een cruciale rol spelen in ‘ons’ herstel van de Russische oorlog in Oekraïne. Welk ‘ons’ bedoelde hij?

Symbiotisch of parasitair?

“Doordat het onze twee regio’s helpt om duurzaam in elkaar te investeren en handel met elkaar te drijven” kan de Economische Partnership Overeenkomst tussen de EU en Zambia beide partijen ten goede komen, beloven de EU-gezanten.

Misschien kan deze partnerschap dat, traditioneel doen ze het niet. Internationale mijnbouwbedrijven als het Zwitserse Glencore haalden Zambia’s kopermijnen leeg zonder er veel voor te betalen. Het Britse AB Foods – eigenaar van ’s lands ‘eigen’ ZamSugar – werd er door ActionAid al van beschuldigd minder belasting te betalen dan een lokale marktkoopvrouw. De beloofde banen die de buitenlandse investeringen zouden moeten opleveren, vallen vaak in het niet tegen de schade die ze berokkenen. De kwaliteit van de leefomgeving gaat vaak zo hard achteruit dat er al snel niets meer te oogsten is. Een kleinzoon krijgt een seizoensbaantje in een fabriek, maar oma heeft geen bos meer om uit te plukken. 

***

Ik vertrek naar Mazabuka, Zambia’s “zoetste stad”, om te kijken of het daar beter gaat. Het is de thuisbasis van suikerplantage Nakambala, ooit begonnen als humanistisch project dat moest helpen Zambia zelfvoorzienend te maken. Inmiddels heeft het de grootste suikerplantage van het continent, en is het in handen van het Zuid-Afrikaanse Illovo Sugar, op haar beurt weer onderdeel van het imperium van Associated British Foods (ABF) – bekend van zaken als Jordans-cruesli, Twinings-thee en Primark-kleding. De suiker en melasse blijven niet langer in Zambia, maar verdwijnen – net als een groot deel van de winst – vaak ver over de grens. 

Micro-brasems

Een paar dagen later vaar ik met de voorzitter van de vissersvereniging op een van de zijtakken van de Kafue rivier. Vanuit onze boot houden we de kano van een visser vast om avondeten in te kunnen kopen. Op de houten bodem spartelen een stuk of 15 baby-brasems. Mini-varianten van de dikke, gronderige vis waar het gebied zo befaamd om is, opgevist terwijl ze nog maar een paar centimeter groot zijn. Natuurlijk weet iedereen dat dat niet slim is, maar hier, vlakbij Mazabuka, zijn veel monden te voeden. Niet alleen de Tonga-families die hier lang voor de komst van de suikerindustrie al woonden, maar ook de vele anderstaligen die hier heen trokken in de hoop een baan te vinden. 

“Hoe moet ik mijn kinderen voeden als mijn man op zijn best 50 kwacha per week bij elkaar kan vissen?”, klaagt een vissersvrouw op een baal riet bij de haven. 50 kwacha is krap 3 euro, ongeveer genoeg voor 10 kilo maismeel, het gebruikelijke eten hier. Ze geeft me haar facebooknaam in de hoop dat ik iemand weet die de wezen en weduwen hier kan helpen. Het lukt de gemeenschap niet meer om zelf voor iedereen te zorgen. De vissen zijn niet alleen klein, ze brengen ook nauwelijks iets op. Voor iets meer dan een euro, krijg je er meer dan tien. Samen zouden ze volgens het Voedingscentrum misschien net genoeg zijn voor een maaltijd voor twee of drie. 

Er zijn gewoon te veel vissers, blijkt in de haventje al – iedere man die geen werk heeft, beproeft zijn geluk op het water. Maar net als de moerasantilope, lijken ook de vissen verdwenen. De meststoffen die meekomen met het irrigatiewater uit de suikervelden, zorgen voor een overdaad aan waterhyacinten die de lokale planten verdringt. Samen met een invasie van uitheemse rivierkreeften verstoren ze de ecologie van het unieke moerasgebied. 

Pendamethalin

Onbekende chemicaliën lijken de rest te doen. De suikerplantages hier zouden gebruik maken van pesticides en herbicides als acetamiprid, thiamethoxam, ametryne, chlorimuron en pendamethalin, een onkruidverdelger tegen bepaalde eenjarige onkruiden, maar ook een slecht afbreekbaar supergif voor vissen. 

Eén keer per jaar, rond het begin van het nieuwe suikerseizoen, komen de vissen hier dood naar boven drijven, vertelt de vissershoofdman bezorgd. De milieu inspectie komt regelmatig langs om de waterkwaliteit te meten, maar heeft de resultaten nooit met hem gedeeld. 

In de hoop de visproductie op te kunnen voeren, graven de dorpelingen nu kweekvijvers. Tegen de vervuiling van het water zullen die de brasems echter niet beschermen. In dit dorp is geen waterleiding met veilig drinkwater. Wie drinkt, kookt, wast, gewassen teelt of vissen kweekt, gebruikt water uit de rivier. Gerelateerde ziektes als diarree, bilharzia en dysenterie komen in dit dichtbevolkte deel van het Kafue-stroomgebied dan ook alarmerend vaak voor, constateerden de waterautoriteit WARMA en haar partners in hun rapport van 2019. Naar de gevolgen van de chemicaliën hadden ze nog niet gekeken.

***

De visverkopers langs de weg naar Mazabuka lijken het beter te hebben. Zij pronken met ouderwetse brasems en meervallen van een meter lang. “We halen ze bij een viskamp ongeveer tweehonderd kilometer verderop, na 70 kilometer fietsen en 100 kilometer roeien, met blokken ijs op onze bagagedrager”, vertelt vishandelaar Francis Lisheka trots. Hij wijst naar de grote opengesneden jerrycans waar hij en zijn collegae de ijsblokken in maken. Op en neer doen ze 3 tot 4 dagen over de reis, maar het levert hem genoeg op om zijn kinderen naar school te sturen. 

Lisheka ziet niet zoveel verandering in de omgeving, maar de zaken gaan nu wel beter dan toen hij begon, 12 of 14 jaar geleden. Toen had hij nauwelijks geld om in zijn handel investeren, nu wel. 

De vishandelaar lijkt niet de enige voor wie dat geldt: was Mazabuka aan het begin van de eeuw nog een regulier stadje rond een lokale markt, nu staan er twee internationale supermarkten vredig naast elkaar. Naast basisingrediënten als maïsmeel en tomaten liggen er ook wijnen en red velvet cakes in de schappen. Blijkbaar zijn hier genoeg klanten om de zaken goed draaiend te houden. 

Gebrek aan economische spin off

De weg door Mazabuka is wel verbeterd, ziet ook Chipo Mubambe, een van de auteurs van het WARMA rapport, als we het stadje binnenrijden. Na negen jaar voor ze gewerkt te hebben, nam hij ontslag bij de waterautoriteit. Als stroomgebiedmanager zag hij vooral problemen: de waterkrachtcentrale en de boeren concurreerden om het beschikbare water, dat vervolgens werd vervuild door ZamSugar en haar leveranciers. Zulke commerciële boeren worden geacht de overheid te betalen voor het water dat ze gebruiken, vertelt hij, maar in praktijk verdient ZamSugar eraan. Officieel betalen lokale boeren het bedrijf niet voor het water, maar wel voor de servicekosten voor de irrigatiestructuur die nodig is om het water van de rivier naar hun land te brengen.

Het had zijn baan moeten zijn om dat soort problemen te voorkomen, vindt Mubambe, maar de waterautoriteit had nauwelijks inkomsten om haar werk te doen. Voor hem is het duidelijk: ZamSugar voorziet zo’n 5.000 mensen van werk, en levert sommige mensen wat extra geld uit de verhuur van hun land. Die mensen vind je vooral in de stad. De kwetsbare gemeenschappen daaromheen hebben echter nauwelijks bronnen van inkomsten. Een groep vrouwen had een succesvolle brouwerij opgezet met de melasseresten van de suikerfabriek, maar kreeg vervolgens de schuld van het vervuilen van de rivier. 

Mubambe neemt me mee naar Mr. Chomba, de plaatsvervangend chief van het chiefdom Mwanachingala, één van de drie chiefdoms waar ZamSugar haar suiker produceert. 

“Ik ben hier opgegroeid, ik ken het gebied al vanuit de jaren zeventig”, vertelt Mr. Chomba in het bescheiden blauwe kamertje dat als zijn kantoor fungeert. “Het was hier in die tijd goed toeven. We hadden twee rivieren, de Magoye en de Kaleya. We hadden watervallen, gezonde vegetatie, sterke oevers, bomen. Overal zag je Mopani: een van de beste bomen die er zijn – om te bouwen, maar voor nog veel meer dingen.”

Expansie

In 1991 werd president Kaunda, de Zambiaanse humanist, verslagen door vakbondsleider Frederick Chiluba, die de staatsbedrijven privatiseerde. De Britse Tate & Lyle had de Nakambala suikerplantage helpen ontwikkelen. Nu nam het een meerderheid in het bedrijf, om haar aandelen in 2001 door te verkopen aan het Zuid-Afrikaanse Illovo, onderdeel van Associated British Foods (ABF). 

Binnen een paar jaar besloegen de suikerplantages het volledige Tate & Lyle-land, een gebied van bijna 70 vierkante kilometer groot. Om de suikerproductie verder uit te kunnen breiden, nam het ook het land van haar buren in productie. Hoewel het goede sier maakte met een ‘outgrowers scheme’ dat lokale boeren moest laten delen in de winst, wezen onderzoekers erop dat 94% van de grond die contracteerde, van commerciële boeren kwam.

Wijlen chief Mwanachingwala maakte in die tijd faam, vertelt een naburige boer me later: hij sleepte ZamSugar voor het gerecht nadat dat een aantal mensen van hun land verjaagd had. De chief won. Zijn mensen mochten hun land houden, maar ze durfden niet meer terug. In plaats daarvan verhuurden ze hun oude land aan de plantage terwijl ze op hun nieuwe locatie bleven wonen. Zo hadden ze een tweede bron van inkomsten, naast hun bestaan als keuterboer.

Voor de verdreven landeigenaars pakte het goed uit, maar de rest van het chiefdom bleef met lege handen achter, vertelt Mr. Chomba. Normaalgesproken krijgt een chiefdom dat zijn land aan een bedrijf ter beschikking stelt, jaarlijks in ieder geval een percentage van de opbrengst. In het geval van ZamSugar en Mwanachingala is dat nooit gebeurd. 

Grafsteen

“Al gaven ze ons maar om 1 of 2 %, op lange termijn hadden daar toch iets mee op kunnen bouwen”, benadrukt Mr. Chomba, “betere straten, betere voorzieningen, betere kansen voor de mensen hier”. Het bedrijf heeft wel bijgedragen aan een mooie grafsteen voor de overleden chief, maar had serieus met hem om tafel moet gaan zitten toen hij nog leefde. Nu zowel Mwanachingala als ZamSugar een nieuw management hebben, hoopt Mr. Chomba op een betere samenwerking, waarmee de gedane schade hersteld kan worden. 

De uitbreiding van de plantages en de aanzuigende werking van de banen die daarmee gepaard ging, leidden tot meer bevolking dan het gebied kan opvangen, constateert hij. “Tegenwoordig staat het er slecht voor. De Mopani zijn weg. Zelfs hun stronken zijn gerooid, zodat ze ook niet terug zullen groeien. Mensen hebben het zand langs de oevers opgegraven om huizen mee te bouwen. De rivier kan nu ongecontroleerd stromen, hij loopt de woningen in, en er is geen begroeiing om hem tegen te houden. De bomen worden verbrand voor houtskool, de wind neemt het terrein over. ”

13x Tata

“Tegenwoordig krijgen we te maken met droogtes en overstromingen die we vroeger niet kenden”, vertelt Mr. Chomba. Hij vermoedt dat de ontbossing ook heeft geleid tot een gebrek aan goede regens. Veel wetenschappers geven hem gelijk: de regenpatronen worden niet alleen verstoord door klimaatverandering, maar ook door lokale houtkap. Bossen spelen een belangrijke rol bij de instandhouding van neerslagpatronen doordat ze water verdampen en de ondergrondse waterhuishouding reguleren. 

Dat de bomen rond Mazabuka in rap tempo verdwenen zijn, zie je niet alleen aan de uitgestrekte suikerplantages om ons heen, maar ook op de satellietbeelden van Global Forest Watch. Tussen 2001 en 2021 verloor Mazabuka 941 hectare aan bladerdak, een gebied ter grootte van Papendrecht. Alleen al in 2021 zou het gaan om zo’n 75 Megaton aan CO2, ongeveer 13 x de uitstoot van Tata-steel. Die bomen komen niet meer terug, maar zijn vervangen door suikerriet, dat voor de oogst in brand wordt gezet. Het is het seizoen van de dikke zwarte rook, het seizoen dat de inwoners zichzelf in huis opsluiten en het ziekenhuis zich opmaakt voor een piek in longklachten. 

***

Overgeleverd aan de industrie

De bomen hebben niet alleen plaats gemaakt voor grote suikerplantages, maar ook voor allerlei proefveldjes maïs langs de weg, met bordjes met de naam van een grote industriële zaadveredelaar erbij. Het zijn reclameveldjes, vertelt de chauffeur: wie een bordje van de fabrikant ernaast zet, krijgt een gratis zakje zaad. Werden de beste zaden van het seizoen vroeger bewaard door de grootmoeders van de gemeenschap, nu worden ze geleverd door invloedrijke multinationale chemieconcerns als Syngenta. 

Ooit stond Zambia bekend als het land dat genetisch gemodificeerde zaden bande, zelfs in de vorm van voedselhulp. Het weigerde gemodificeerde maïsdonaties, tenzij de korrels eerst vermalen werden. Stilzwijgend lijkt er iets veranderd te zijn. 

In de gezamenlijke AU-EU agenda voor plattelandshervorming van 2019 stond al dat Afrikaanse boeren hun gewassen moesten gaan beschermen tegen plagen en ziektes. De chemieconcerns die de producten daarvoor maken, maken vaak ook het bijhorende zaadgoed – hybride rassen die je niet opnieuw kan inzaaien, maar elk jaar opnieuw moet kopen. Ze zijn geoptimaliseerd voor specifieke omstandigheden in een strenge monocultuur. Wijzigen die omstandigheden, dan ben je niet een paar planten kwijt, maar gelijk je hele oogst. 

Fast farming

Die multinationale zaden mogen dan een nare nasmaak aan Kaunda’s zelfvoorzienende droom geven, op korte termijn leveren ze vaak wel veel op, mits je ze combineert met kunstmest, pesticides en herbicides. Deels zijn het dezelfde stoffen die de vissers in het water moeten vrezen: het Franse Aventis maakt het acetamiprid dat vogels doodt, de Zwitserse Syngenta verkoopt het thiamethoxam dat de bijen vermoordt, het Chinese Zhejiang Zhongshan levert de ametryne dat de breedbladigen omlegt, het Indiase Atul maakt het chlorimuron dat de eenjarige grassen bestrijdt en het Duitse BASF maakt de pendamethalin dat de vissen de das omdoet. De kunstmest maakte Zambia vroeger zelf, maar haalt het nu ondermeer uit Zuid-Afrika, dat het op haar beurt weer uit Rusland haalt. 

​”Busiko bwangomwa nkujana da” zeggen de Tonga: een impotente man moet blij zijn als zijn vrouw zwanger raakt.

Eigenlijk zijn dat geen dingen die hij zijn dochtertje graag voorzet, bekend de Syngenta-verkoper op de markt net buiten de plantage. Liever zou hij werken met de mest van de koeien waar het gebied om bekend stond en met gewassen van lokale zaden. Zijn maaltijden zou gezonder zijn, hij zou er minder geld aan hoeven uitgeven, en zijn dochter zou gezonde grond van hem erven. Hij weet het allemaal. Maar het opzetten van een goed biologisch teeltsysteem duurt jaren, en ondertussen moet hij eten. Dus is hij afhankelijk van de buitenlandse markt, die draait op cash, die hij eerst zal moeten verdienen. 

Impotent

​”Busiko bwangomwa nkujana da”, zeggen de Tonga die hier ooit de dienst uitmaakten: een impotente man moet blij zijn als zijn vrouw zwanger raakt. De Syngenta-verkoper verdient nog genoeg om zijn eigen handelswaar te kunnen gebruiken, maar zijn marktgenoten vertellen een ander verhaal: ook zij hebben ergens een stukje land, maar geen geld om erin te investeren. 

Dus verhuren veel lokale landeigenaren hun land uit aan ZamSugar, de enige afnemer in het gebied. Dat legt irrigatie aan, plant, verzorgt en oogst de rietstengels en koopt die tegen een vaste prijs weer op. Elk jaar krijgen de landeigenaren een deel van de opbrengst. De eerste jaren worden daar kosten van de aangelegde infrastructuur vanaf getrokken. Wie wil en geluk heeft, kan zelfs een baantje krijgen om de suiker op eigen land te verzorgen. Cash in ruil voor zeggenschap. 

—-

Nawoord:

ZamSugar is op verschillende manieren benaderd voor een reactie, maar is hier nooit op ingegaan. Met een exportwaarde van ongeveer 90 miljoen Euro (1636 miljoen kwacha) wist ZamSugar in 2021 ongeveer net zoveel winst te boeken: 1615 miljoen kwacha, vertelt het jaarrapport, een veelvoud van de jaren daarvoor. De aandeelhouders mochten blij zijn: hun dividend steeg met meer dan 250%. Het bedrijf schonk ongeveer 65 miljoen euro aan goede doelen, terwijl de werknemers samen grofweg 30 miljoen euro verdienden. Tenminste 400.000 euro ging naar het bestuur, met name naar de Zuid-Afrikaan Marc Pousson, een van de vier uitvoerend directeuren. 

Dit artikel werd mede mogelijk gemaakt door het matchingfonds van De Coöperatie, het Tripfonds van de Vereniging van Wetenschapsjournalisten (VWN) en de Climate Grant van European Federation for Science Journalism (EFSJ)/BNP Paribas Foundation.